|
Hij holde als een bezetene over de natte stoep. Hij moest
en zou naar het politiebureau aan het eind van de straat. Daar zou hij zijn
heldendaad vertellen. Met een voldane lach en met zwellende borst zou hij
zeggen: ‘Ik legde aan en schoot op haar hoofd’.
Toen hij voorbij het
koffiehuis rende waar hij elke dag een kaartje legde, hield hij zijn pas wat in.
Zijn ogen blikten door het grote raam naar binnen. Bijna al zijn kennissen waren
daar. Niemand draaide zich om en keek naar buiten, hij werd dus niet gezien. Hij
voelde zich een beetje kwaad worden omdat geen mens hem zag. Hij trommelde met
zijn vuisten op zijn borst. ‘Straks zullen het allemaal horen’, zei hij en begon
weer net zo hard te lopen als daarnet.
Steeds grotere stappen nam
hij. Zijn longen zetten uit en nog harder holde hij voort. En al rennend
produceerde hij piepende geluiden en die geluiden waren de tekenen van zijn
leeuwenmoed. Was het soms makkelijk om een held te zijn? Natuurlijk waren er wel
voortekenen geweest. Nog even en hij was bij het politiebureau en dan zou hij
zeggen: ‘Ik leunde tegen de muur en zonder met mijn ogen te knipperen, richtte
ik’. De politieagenten zouden elkaar doorvertellen wat hij had gezegd. De
journalisten zouden ervan horen en de televisieverslaggevers zouden op hem
afkomen. Binnen een uur zou er niemand in Nederland zijn die er niets over had
gehoord. En na Nederland ging het bericht zich over de hele wereld verspreiden.
Het was wel zaak dat hij alles heel koelbloedig vertelde. Alle vragen moest hij
als een held beantwoorden. Iedereen die naar hem keek moest kunnen zeggen: ‘De
hellldd!’. Misschien zouden ze aanvankelijk ‘Moordenaaaar!’ roepen, maar als ze
naar hem geluisterd hadden, zeiden ze vast: ‘Het recht staat aan zijn kant. Hij
heeft zijn eer gered’. En weer zouden ze roepen: ‘Helllddd!’. Zijn vader zou
zeggen dat er eindelijk gerechtigheid was geschied en hij zou er blij mee zijn.
Opgetogen zou zijn vader zijn als hij het hoorde. Hij zou het uitzingen van
vreugde en door het dorp lopen als een trotse kalkoen met opgezwollen borst en
hij zou niet ophouden om over de heldenmoed van zijn zoon op te scheppen. Hij
zou het uitroepen: ‘Hij trok zijn wapen en schoot dwars door het hoofd van de
hoer die tegen de muur leunde’. Zijn vader had heel wat verdriet gehad om het
noodlot dat zijn zoon had getroffen. Maar nu zou hij kunnen zeggen: ‘Hij heeft
de schande van zijn vader weggenomen, de schande…, weggenomen…, zijn vader weg…,
zijn vader…, va…der, va…’
Toen Mesut het politiebureau
binnenwandelde, was hij de grootste held van de wereld en vervuld van grootse
gedachten. Hij deed het derde knoopje van zijn bebloede zwarte overhemd open dat
hij onder een helder kleurig jasje droeg. Hij wilde dat men zijn zwarte
borstharen zag. Alles moest aangepast worden aan zijn status van held. Hij stak
zijn handen in zijn zak. Langzaam liep hij naar binnen. Er stond geen tafel in
de ruimte, er was alleen een hoge houten balie. Hij leunde met zijn borst tegen
die balie en keek om zich heen. Hij zag niemand. Hij perste alle lucht uit zijn
longen en haalde een paar keer diep adem. Hij legde zijn ellebogen op de balie.
Zo bleef hij een poosje wachten. Maar er kwam niemand. Hij steunde zijn hoofd in
zijn handen.
Hij keek naar de muur
tegenover hem en ontmoette de blikken van Yeli, zijn vrouw. Ze keek hem aan
terwijl ze danste als een knappe zigeunerin. Hij keek haar ook aan, glimlachte
en zei toen: ‘Jij danst nooit meer’. Zijn vrouw Yeli lachte en zei: ‘Ik dans
wel’. Sneller danste ze. Ze greep Mesuts hand en zei: ‘Laten we samen dansen’.
Mesut gaf haar een duw met zijn hand. Yeli liet zijn hand niet los. ‘Ik heb al
eens met jou gedanst’, zei hij, ‘op onze trouwdag. Wat was je mooi toe we de
“karêÏ-beri”
dansten. Je hebt een bepaalde manier van ronddraaien… Ik keek naar je en ik heb
toen gezegd dat je het mooiste meisje van het dorp was. De vijftigduizend gulden
die ik als bruidsschat aan je vader moest geven, konden me niets schelen en ook
de kosten van de trouwdag niet. Ik wilde maar één ding en dat was jou kussen.
Niet zoals je wel eens ziet op foto’s, op zo’n verboden manier, nee, ik wilde je
omhelzen en kussen zoveel en zo dikwijls als ik kon… Maar iedereen keek naar ons
en ik had de moed niet. Je was zo mooi, alles aan je was mooi. Had ik je maar
niet mee naar hier genomen. Had je maar niet zoveel geleerd. Had je me maar niet
zoveel pijn gedaan!’ zei Mesut en hij haalde diep adem.
Hij had zijn handen zo stevig
tegen zijn gezicht gedrukt dat zijn oren pijn deden. Die pijn bracht hem weer
bij zijn positieven. Hij liet zijn vuist op de balie neerkomen en riep luid: ‘Er
is geen Yeli meli meer’. Hij ademde door zijn neus en schreeuwde: ‘Ik ga niet
huilen. Yeli is niet meer! Ik ben een held. Ik ben een held. Ik huil niet.
Ziezo! Ik ben een held, ik ben een held, ik ben een held!’
En niemand hoorde zijn
geschreeuw. Hij keek naar de geel geverfde deuren tegenover hem en merkte dat
zijn benen trilden. En door die trillende benen kromp ook zijn gestalte ineen.
Zijn ellebogen brandden. Dat mocht niet. Hij klemde zich met zijn handen vast
aan de balie. Het hielp niet. Plotseling begon zijn hele lichaam te trillen. De
balie bewoog heen en weer als huizen tijdens een aardbeving.
Langzaam ging een van de gele
deuren open. Een rijzige vrouwelijke politieagent sloot de deur en liep op de
hoge balie af. Ze stond op het punt Mesut te vragen wat hij wilde, toen hij,
haar aankijkend, in luid gesnik uitbarstte.
De agente vroeg zich verbaasd
af wat er met hem aan de hand was. Ze rende naar Mesut toe, boog zich naar hem
over en vroeg: ‘Wat is er gebeurd, mijnheer?’
Mesut begon nog harder te
huilen. De politieagente pakte hem bij de arm en probeerde hem te kalmeren.
‘Huil maar niet, mijnheer’, zei ze met kalme stem.
Mesut haalde een paar keer
zijn neus op en toen zijn gehuil wat minder werd, vroeg de agente nog eens: ‘Wat
is er aan de hand, mijnheer?’
Mesut keek naar het gezicht
van de politievrouw en begreep dat hij vergeten was wat hij wilde zeggen. Alle
Nederlandse woordjes die hij kende, waren hem in één klap ontschoten. De vrouw
liet zijn arm los. ‘Vertelt u maar wat er gebeurd is. Wat is er van uw dienst?
Heeft iemand u aangevallen?’
De ogen van Mesut waren groot
geworden van angst en ontzetting. Hij niets anders doen dan met die grote ogen
kijken. De politievrouw keek naar de vreemd uit zijn ogen kijkende Mesut. Ze
vond hem kennelijk wat verdacht, want ze greep zijn arm stevig vast en schudde
hem met kracht door elkaar. Toen Mesut nog steeds zijn mond niet opendeed, zei
de agente: ‘Zegt u maar uit welk land u komt, dan laat ik een tolk komen’.
Toen Mesut het woordje “tolk”
hoorde, werd hij door angst bevangen. De eventuele komst van een tolk zette hem
weer met beide benen op de grond. Hij schudde met zijn hoofd van nee en stak
zijn hand in zijn jaszak. Alsof hij een zakdoek te voorschijn haalde, zo trok
hij het bebloede pistool uit zijn zak en legde het op de balie.
De vrouwelijke politieagent
raakte hierdoor wat in de war. Ze duwde het pistool wat verder weg en pakte ook
de andere arm van Mesut vast. Ze duwde hem in de rug en en zei streng: ‘Gaat u
alstublieft naar binnen’.
Ze liepen om de balie heen en
gingen door de geel geverfde deur, die de agente had opengedaan. Tegen een van
haar collega’s zei de politieagente dat hij het pistool van de balie moest
halen. Mesut zette ze aan een tamelijk grote tafel. In het kort vertelde ze wat
er aan de hand was aan een politieman van middelbare leeftijd, die dun behaard
was, een lange vooruitstekende neus en afhangende wangen had. De politieman van
middelbare leeftijd sprong op, liep op hem toe en vroeg: ‘Uit welk land komt
u?’.
‘Uit Turkije’, zei Mesut. Hij
boog zijn nek en voelde dat zijn benen weer gingen trillen en zijn gestalte
ineenkromp. En elke keer als dat gebeurde, moest hij als een kind huilen. Om
niet in snikken uit te barsten, beet hij op zijn lippen. De politieman van
middelbare leeftijd zag dat de benen van Mesut trilden en dat hij op het punt
stond te gaan huilen. Hij liet hem plaatsnemen op een van de stoelen bij de
tafel. De vrouwelijke agent bracht een plastic bekertje met koffie. Mesut nam
het bekertje met beide handen vast. De warmte van de koffie verspreidde zich van
zijn handen over zijn hele lichaam. Hij dronk snel achter elkaar twee slokken
koffie. Zijn zenuwen kwamen wat tot bedaren. Zonder dat iemand iets vroeg begon
hij te vertellen:
‘Ik woon hier al veertien
jaar. Ik heb in de tuinen gewerkt. Zes jaar geleden ging ik naar mijn vaderland.
Yeli en ik verloofden ons. We zijn een jaar verloofd geweest. Tijdens de
vakantie het jaar daarop heb ik een trouwfeest gegeven waarover iedereen sprak.
Ze was het mooiste meisje van het dorp. Vijftien dagen na de bruiloft nam ik
Yeli mee naar Nederland. De eerste tijd konden we het samen heel goed vinden. ’s
Winters kreeg ik last van mijn rug. Ik kon alleen nog maar voorovergebogen
lopen. Ik ben een lange tijd thuisgebleven. Ik voelde me volstrekt nutteloos en
begon uit woede ruzie te maken met mijn vrouw. De ruzies werden steeds heviger.
Ik heb Yeli verschillende malen geslagen. Op een keer vluchtte ze het huis uit.
Ze is naar een van onze familieleden gegaan. Onze vrienden brachten ons weer bij
elkaar en we sloten vrede.
Tijdens onze vakantie dat
jaar vertelde ik mijn schoonvader dat Yeli van huis was weggelopen. Mijn
schoonvader heeft haar toen in mijn bijzijn helemaal in elkaar geslagen. Hij
heeft tegen zijn dochter gezegd: ‘Ook al snijdt je man je in mootjes dan nog sta
ik aan zijn kant’. Na onze vakantie kwamen onze mooie dagen van vroeger weer
terug. Ze deed alles wat ik maar wilde. Dat jaar ging mooi als een roos voorbij.
Ik heb verschrikkelijk hard gewerkt en geld voor de vakantie gespaard. Met heel
veel enthousiasme heb ik ook een auto gekocht. Toen ik zei dat we met vakantie
gingen zei zij: ‘Ik ga niet mee’. We hebben erover gepraat. Ik heb haar toen
weer geslagen. Die dag is ze het huis uitgelopen. Ik dacht dat ze weer naar een
van onze familieleden was gegaan. Ik wachtte een dag, een week, een maand, maar
ze kwam niet terug. Na precies drie jaar dook ze weer op. Mijn woede was over.
Ik zou zelfs alles doen wat ze me vroeg. Ze wilde scheiden. Ik ging ermee
akkoord. We zijn gescheiden.
Een poosje later hoorde ik
dat ze weer getrouwd was. Met de scheiding had ik niet zoveel problemen, maar
mijn eergevoel was aangetast omdat ze met een ander was getrouwd en dat zat me
heel hoog. Ik heb er heel lang over nagedacht om haar te vermoorden. Maar op een
dag zei ik tegen mezelf: ‘Laat alles toch rusten’. Daarna heb ik alles uit mijn
hoofd en hart gezet.
Dit jaar ben ik met vakantie
naar huis gegaan. Op een dag kwam ik de vader van Yeli tegen: ‘Je moet je
wreken, want onze eer is bezoedeld. De vrouw van een man hoort er toch zeker
niet vandoor te gaan? Als je je niet wreekt dan gooi ik je volgend jaar de
bruidsschat in het gezicht’, zei hij en liep verder. Ik wilde hem zeggen dat ik
de bruidsschat niet terugwilde, maar hij sprak niet meer met me. Dat was heel
zwaar voor me. Ik werd gek en liep rond als een kip zonder kop. Ik had nog geen
besluit genomen. De moeder van Yeli zei: ‘Zij heeft jouw en ons hart gebroken.
Onze eer is bezoedeld. Haar bloed moet vloeien’. Mijn vader vroeg me trouwens
ook elke avond maar weer: ‘Moet ik dan voor altijd met mijn hoofd gebogen door
het dorp lopen?’ Alleen mijn moeder zei als enige: ‘Doe jij maar wat je
goeddunkt, zoon’. Toen ik terug was van vakantie merkte ik dat de familieleden
hier zich van me afkeerden. Niemand wilde meer met me praten. Als ik naar hen
toeliep om een praatje te maken, vonden ze wel een excuus om weg te gaan. Ik
begon aan mezelf te twijfelen. Ik werd ook bang voor mezelf. Mijn vrienden met
wie ik altijd kaart speelde, zouden achter mijn rug wel tegen elkaar zeggen:
‘Mooie pooier is dat, hij kan niet eens zijn eigen wijf bij zich houden’, zo
dacht ik. Ik kon bij niemand meer gaan zitten.
Maar zo mocht het niet
doorgaan, besloot ik. Ik heb mijn ontslag genomen. ’s Morgens kaartte ik in het
koffiehuis en ’s avonds thuis dacht ik na hoe ik Yeli kon opsporen. Haar man
trof geen enkele schuld. Het was Yeli die mijn eer had bezoedeld. Na dagenlang
zoeken heb ik een spoor van haar gevonden. Haar man ging ’s morgens naar zijn
werk. Ik heb hem twee maanden bespied. Hij ging altijd op dezelfde tijd naar
zijn werk. Elke avond nam ik me voor de volgende morgen het karwei te klaren,
maar als de man van Yeli naar zijn werk was, begonnen mijn benen te trillen en
wilde ik in huilen uitbarsten. De moed zakte me dan in de schoenen en ik ging
naar huis terug.
Gisteravond belde mijn moeder
op. Het ging niet goed met mijn vader. Mijn moeders stem was huilerig. Ze zei
tegen mij dat mijn vader had gezegd: ‘Als je de smet die op onze eer is gevallen
niet wegneemt, dan ben je mijn zoon niet meer’. Vanmorgen heb ik alles op alles
gezet. Ik heb niet gelet op het trillen van mijn benen. Door een raam aan de
achterkant ben ik naar binnengegaan. Hun huis is op de eerste verdieping. Yeli
was weer in slaap gevallen. Haar ogen waren slaperig en mooi. Maar mijn ogen
waren beneveld door het bloed. Ik leunde tegen de muur. Ik vuurde twee schoten
af op haar hoofd. Eén voor mijn eer. Eén voor…’
Murat Tuncel
Nederlandse
vertaling: Anneke Krijthe..................................
Not:
Eserin yayın hakları gözetilerek burada kısa bir bölümüne yer verilmiştir...
yapılacak alıntılarda yazarın bilgilendirilmesi gerek etik açıdan gerekse yasal
prosedür gereği dikate alınmalıdır...
Dileyen okuyucularımız yazarla iletişime geçerebilirler...
www.edebiyat.nl
|